Column – De openbare bibliotheek

 in Columns

Ik groeide op in een dorp waar één keer per week de bibliotheek langskwam. De bibliotheek was een bus. Oranje en wit. Op maandag kon ik drie boeken lenen. Op woensdag waren die uit. Soms deed ik een paar dagen extra met een boek – De brief voor de koning, Ogen van tijgers van Tonke Dragt – dan haalde ik het weekend. Als een boek te dun was, stelde ik een maximumaantal bladzijden in dat ik mocht lezen per dag.

Misschien was dit beperkte leesrantsoen wel de redding van mijn jeugd. Nu was ik gedwongen om ook slootje te springen, geheimtalen te bedenken en schatten te verstoppen. Maar ik voel nog steeds de opluchting dat ik woon in een stad waar je iedere dag naar een bibliotheek kan. En dat je meer dan drie boeken mag lenen.

Als bewoner van Oost heb ik ook nog eens de keuze uit drie bibliotheken op fietsafstand: de Linnaeusstraat (voor als ik er langsfiets), het Javaplein (voor die fijne kinderboekenafdeling) en het Oosterdok (het walhalla). Drie verschillende bibliotheken vereisen een ingenieus persoonlijk administratiesysteem om bij te houden welk boek, waar en wanneer terug moet zijn – en dan heb ik de universiteitsbibliotheek nog niet meegeteld – maar ik heb het ervoor over.

Op die oranje-witte bibliotheekbus stond in jaren tachtig lettertype ‘openbare bibliotheek’. Als achtjarige verbaasde ik me erover dat de kinderen van de katholieke en de christelijke school er ook kwamen. Zij waren toch niet ‘openbaar’? Maar ach, er was geen katholieke bibliobus noch een christelijke – ‘ze mochten zeker daarom bij ons’, was mijn conclusie.

In Amsterdam staat het begrip ‘openbaar’ niet met grote letters op de bibliotheekgebouwen, maar is teruggebracht tot de letter ‘o’. Meer is ook niet nodig. Iedere keer ben ik ontroerd als ik het Oosterdok binnenloop. Zo’n indrukwekkend gebouw, op zo’n mooie manier ingericht, met zes etages boeken, en stoelen waar je altijd in wilt blijven zitten – en dat is allemaal voor iedereen toegankelijk. Je hoeft niet lid te zijn, je hoeft niet in de rij voor een kaartje, je hoeft niet op een wachtlijst. Iedereen mag naar binnen. Iedere dag.

Waarom woon ik ook alweer in een stad? Die vraag dringt zich af en toe op in deze tijden. In mijn hoofd maak ik lijstjes met antwoorden om die vraag te pareren. Afgelopen week – toen ik door de stromende regen langs drie filialen van de OBA moest fietsen – kon ik mijn lijstje weer aanvullen: voor de bibliotheken.

Maandelijks schrijf ik in Dwars door de buurt een column over leven in Amsterdam-Oost.

Aanbevolen Berichten

reactie plaatsen